Zet kerkdeur wagenwijd open voor jongeren - Alfard Menninga

Loop op een zondagochtend een kerk binnen en je ziet grijze koppen. Je ziet lege plekken. En wat je niet ziet zijn dertigers, twintigers en tieners. “Hoe krijgen we ze binnen?” vragen kerkgemeenten zich af. “Begin met een andere vraag”, zegt Alfard Menninga, adviseur jeugd bij de Protestantse Kerk Amsterdam. “Heb je jongeren echt op je netvlies staan? Beschouw je jonge mensen ook als mensen?” Pas als je de relatie met jongeren hebt opgebouwd, kun je de deur van het kerkgebouw zo ver open zetten dat ze over de drempel durven te stappen. Zet die deur wagenwijd open.
Door: Tanja van Hummel [Nieuwwij.nl]

“Dat ik in het jeugdwerk terecht kwam, is eigenlijk toeval. Als puber had ik de deur van mijn kerkgemeente dicht gesmeten. Toch besloot ik theologie te gaan studeren. Ik vond dat je als student theologie naar de kerk hoort te gaan. Wel een stap nadat ik de deur had dichtgeslagen. Naar welke kerk? In het studentenblad stonden een paar ‘studentvriendelijke’ kerken. Ik besloot naar één van die kerken te gaan.

Het was puur toeval, maar ik stapte niet in mijn eentje de drempel van die kerk over. Ik schoof alleen in een bank en werd door de persoon naast me gegroet. Na afloop raakte ik met iemand in gesprek, die me hielp vrijwilliger voor de kerstmusical te worden. Ik houd van toneel en wilde graag meehelpen met die musical, maar hoe dat aan te pakken? Wat was ik blij dat iemand me hielp de juiste persoon aan te spreken.

Dit deed me beseffen hoe belangrijk het is om in een gemeente broeders en zusters van elkaar te zijn, om als familie of als vriendengroep te zijn. Maar de relatie die zij met mij, een buitenstaander, legden, is minstens zo belangrijk. Zij hebben voor mij de deur zover opengezet dat ik de drempel over durfde te stappen.

Met die kerstmusical begon mijn carrière binnen het kerkelijk jeugdwerk. Ik heb eerst in het uitvoerende werk gezeten, maar schoof al snel aan bij beleidsprocessen. Zo kwam ik in de adviserende functie terecht.

Als kerken me vragen hoe ze jongeren in hun kerk kunnen krijgen, is mijn eerste vraag altijd of zij jongeren wel echt op hun netvlies hebben. Beschouwen ze jongeren als een aparte categorie binnen de kerk of zien ze alle mensen binnen de gemeenschap als één groep? Op wie richten ze zich in de kerkdienst? Is de preek alleen toegankelijk voor ouderen, of zegt die preek jongeren ook wat? Weten ze wat jongeren bezighoudt?

Dit zijn lastige vragen, zeker als kerken vergrijzen. Er zijn nauwelijks tot geen jongeren. Ze zullen een bewuste stap naar de jongeren moeten zetten. Ze moeten hen in beeld hebben en met hen in contact komen. Als ze weten wie de jongeren zijn, kunnen ze een relatie met hen opbouwen.

Ik houd me vooral met de kerk in de stad bezig, met de kerk in een geseculariseerde omgeving. Maar deze vragen zijn net zo goed relevant voor kerken op de Bible Belt. In kerken waar nog veel jongeren komen, hebben ze jongeren ook niet altijd in beeld. Jongeren zijn daar een vanzelfsprekendheid. Daar schuilt het gevaar. Jongeren hebben hun eigen clubje, hun eigen viering, maar wat is de band met de gemeente? Welke hand reiken de gemeenteleden naar de jongeren? Hoe kunnen jongeren aansluiten en overstappen naar de gemeente? Zolang er geen relatie is tussen jongeren en de gemeente, drijven jongeren af en keren ze de kerk uiteindelijk de rug toe.

De gewetensvraag die ik kerken stel, is: ‘Hoe belangrijk vinden jullie jongeren?’ ‘Heel belangrijk’, zeggen ze vaak. Maar beseffen ze de reikwijdte van hun antwoord? Beseffen ze dat dit gevolgen kan hebben voor de inhoud van de preek, voor de opbouw van de dienst? Beseffen ze dat dit betekent dat ze tijd en energie moeten investeren in het opbouwen van de relatie met de jongeren?
Na de discussie die dan losbarst, kan een gemeente concluderen dat ze een ouderen-gemeente is. Prima als ze deze conclusie trekken na er goed over nagedacht te hebben. Maar als ze besluiten inderdaad te kiezen voor jongeren, dan gaan we het traject in van een relatie opbouwen met de jongeren. Dan stuur ik ze bijvoorbeeld op pad om minstens één jongere aan te spreken en te vragen wat die jongere bezighoudt.

Die relatie is essentieel. Pas als er een relatie is tussen de jongeren en een persoon van de kerk én die persoon een relatie heeft met het hogere, dan is er een kans dat de jongeren ontvankelijk worden voor het geloof. Een voorbeeld om dit verder te verduidelijken: ik dronk mijn eerste glas pas op mijn 22ste. Een oom van mij en mijn favoriete leraar dronken niet en zij waren de leukste mensen op feestjes. Zo leerde ik dat feesten zonder alcohol leuk kan zijn, zelfs leuker dan met alcohol. En dat deed mij besluiten niet te drinken. Zo kan ook een gelovig persoon die daar open over praat, een voorbeeld zijn voor jongeren die op zoek zijn naar iets tussen hemel en aarde.

Inwijden in de gemeenschap is de volgende stap. Dit kan door te helpen bij de crèche of het koffie schenken, maar ook door met ze de liturgie te bespreken. De jongeren snappen dan beter wat er gebeurt waardoor ze zich meer verbonden voelen.

Zelf gaan proberen, experimenteren, hoort ook bij het inwijdingsproces. Kleine kinderen leren praten door al brabbelend uit losse klanken woorden te vormen. Zo gaat de inwijding in geloven ook: al proberend en zoekend ontdekken we wat geloof voor ons is. Tieners hebben hiervoor duidelijke voorbeelden nodig, net zoals een kind pas leert praten als je duidelijk, in korte zinnen en met echte woorden tegen hem praat. Het meest duidelijke voorbeeld, de meest krasse uitspraak is: “God bestaat.” Maar ook “ik twijfel, maar ik hoop vanuit het diepst van mijn hart dat hij bestaat, ik kan niet anders.” is een uitspraak waar tieners wat mee kunnen, mits je die twijfel én hoop in je hart voelt. Een zo’n voorbeeld is echter niet genoeg. Bovendien werkt het pas als je een relatie met hen hebt en recht vanuit je hart spreekt. Pas dan kun je een voorbeeld voor hen zijn.

Ruimte krijgen om eigen vormen van vieren te ontdekken hoort er eveneens bij. Met kinderen van 8 tot 10 jaar oud, voerde een kerk ‘de kerk is stom’-gesprekken. De kinderen zeiden: ‘De kerk is stom want alleen die persoon in een jurk is aan het woord.’ ‘De kerk is stom want we moeten de hele tijd stil zitten.’ Toen besloten ze samen dat de kinderen met een microfoon door de kerk mochten lopen en mensen tijdens de dienst mochten vragen: ‘Wat raakt je in het verhaal van vandaag?’ De kinderen leverden een bijdrage aan de dienst, kregen direct antwoord op hun vragen en kwamen in contact met de andere gemeenteleden.

Jongeren kunnen heel veel als de deur voor hen open staat. Maar dan moeten we die deur wel open zetten. We denken dit te doen, maar het kleine kiertje is niet genoeg: we moeten de kerkdeur wagenwijd open zetten.”

Tanja van Hummel is filosoof en werkt o.a. voor het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving